Universiteit Leiden

nl en

Verdeling van middelen

De Universiteit Leiden ontvang een groot gedeelte van haar inkomsten via de rijksbijdrage en collegegelden (eerste geldstroom). Deze middelen worden jaarlijks verdeeld door het College van Bestuur over de faculteiten en instituten. Voor de transparantie hanteert de universiteit hierbij het Allocatiemodel Eerste Geldstroom (AEG). Naast de dekking voor het AEG wordt de eerste geldstroom ook gebruikt voor de budgetten van de ondersteunende diensten, expertisecentra en werkbudgetten.

Wat krijgen faculteiten en instituten?

Faculteiten en instituten ontvangen een budget of universitaire bijdrage via het AEG. De bètafaculteit (FWN) ontvangt een bèta-tarief voor een aantal variabelen in het onderwijs- en onderzoeksdeel van het AEG. Dit bèta-tarief is hoger dan het alfa-tarief dat de overige faculteiten ontvangen. De universitaire bijdrage is berekend op basis van vier elementen:

Onderwijsdeel AEG

  • Een nullast gebaseerd op een genormeerde vaste voet waarin ook een doelmatigheidscriterium voor het aantal opleidingen per faculteit verwerkt is.
  • Een bedrag per gerealiseerd door OCW bekostigde ECTS.
  • Een bedrag per gerealiseerd door OCW bekostigd diploma.

Onderzoeksdeel AEG

  • Een onderzoeksopslag op het onderwijscompartiment van 27%, opgebouwd uit een basisdeel van 10% en een beleidsdeel van 17%.
  • Vergoeding per gerealiseerde promotie (3-jaars gemiddelde)
  • Premie tweede geldstroom/EU (op basis van het aantal fte WP tweede geldstroom/EU)

Specifieke toewijzingen AEG

  • Geoormerkte toewijzingen die bestemd zijn voor specifieke taken.

Bijdrage uit de centrale vernieuwingsmiddelen

  • Het College van Bestuur heeft voor het stimuleren van vernieuwingen in onderwijs, onderzoek en bedrijfsvoering een budget ‘vernieuwingsmiddelen’  beschikbaar.

Wat krijgen ondersteunende diensten, expertisecentra en werkbudgetten?

Naast de dekking voor het AEG wordt de eerste geldstroom ook gebruikt voor de budgetten van de ondersteunende diensten, expertisecentra en werkbudgetten.  Voor de universitaire bijdrage van deze eenheden is de ‘Beheersing Kosten Infrastructuur-norm’ van belang. Deze geeft aan dat het totale financiële kader voor de ondersteunende diensten en werkbudgetten gelijk moet blijven: een plus bij het ene expertisecentrum leidt automatisch tot een korting bij de andere expertisecentra. Het totaal aan universitaire bijdrage voor de ondersteunende diensten, expertisecentra en werkbudgetten (exclusief het WB Huisvesting) mag gemiddeld niet meer bedragen dan 35 % van de geraamde universitaire bijdrage voor faculteiten en instituten.

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie