‘Een evidence based behandeling bestaat niet’
Anika Bexkens is niet alleen hoogleraar maar ook werkzaam als klinisch psycholoog en psychotherapeut in de geestelijke gezondheidszorg. Zij ziet een kloof tussen wetenschap en praktijk, die zij in haar oratie probeert te overbruggen.
Wetenschappers zijn vooral op zoek naar ‘het naadje van de kous’ en willen weten of een theoretisch model klopt. Psychologen in de praktijk zijn vooral druk met hun cliënten en willen vooral weten of een behandeling daadwerkelijk verbetering oplevert, zo ervaart de hoogleraar Evidence Based Clinical Practice for Child and Adolescent Mental Health. ‘Door die verschillende belangen ontstaat een kloof, waarbij wetenschappelijke kennis moeilijk landt in de praktijk.’
Dat zij zelf aan beide kanten van die kloof staat, merkte ze al tijdens haar promotieonderzoek. ‘Als ik met cliënten bezig was, deed ik soms dingen die niet door de wetenschap worden ondersteund. Maar als ik onder wetenschappers was, had ik daar wél een mening over, terwijl ik het zelf ook deed. Dat is eigenlijk best raar.’
Kennis die binnen de wetenschap als achterhaald wordt beschouwd, kan binnen de zorg nog jarenlang gebruikt worden omdat de interventies die eruit voortkomen lijken te werken. Als voorbeeld noemt Bexkens de zogenoemde polyvagaaltheorie, waarbij psychische klachten worden aangepakt door het zenuwstelsel te kalmeren. ‘Tijdens mijn research master in 2005 werden we als studenten uitgedaagd om kritisch te kijken naar deze theorie. Inmiddels zijn er studies die laten zien dat bepaalde centrale aannames niet kloppen. Toch zie je dat de theorie de afgelopen jaren vaker wordt toegepast in therapieën. Nadat een collega-onderzoeker een stuk schreef met wetenschappelijke kritiek op de theorie, kwam er dan ook veel weerstand vanuit het werkveld.’
Volgens Bexkens laat dit zien hoe misverstanden kunnen ontstaan tussen wetenschappers en behandelaars. ‘In feite zegt de wetenschap alleen dat de centrale aanname van de theorie niet wordt ondersteund. Dat betekent niet dat je de interventies die eruit voortkomen niet meer kunt toepassen, maar wel dat de veronderstelde werking ervan niet klopt. Er is dus juist een nieuwe onderzoeksvraag ontstaan: als therapeuten zien dat het werkt in de praktijk, wat is dán het werkingsmechanisme? Overigens moeten wetenschappers zich dan ook bij hun leest houden en niet beweren dat de technieken niet meer toegepast mogen worden.’
Evidence Based Practice
Om te zorgen dat cliënten de best mogelijke behandeling krijgen, wordt de laatste decennia steeds meer gewerkt volgens Evidence Based Practice (EBP). Dat is een werkwijze waarbij behandelaars hun beslissingen baseren op de beste wetenschappelijke kennis, hun eigen klinische expertise en de kennis van en over de cliënt. Een aanpak die Bexkens toejuicht, maar zij ziet ook een belangrijk knelpunt in de praktijk.
‘De afgelopen jaren is er een heel beperkte definitie van EBP ontstaan, waarbij behandelaars klakkeloos een protocol moeten toepassen dat door de wetenschap is bewezen. Dat worden dan evidence-based behandelingen genoemd, maar dat is geen goede zorg’, zegt Bexkens. ‘Protocollen zijn niet bedoeld om stap voor stap te worden gevolgd, maar om richtlijnen te geven voor interventies binnen bepaalde behandeltrajecten. EBP is een denkmodel, geen receptenboek.’ Een evidence-based behandeling bestaat volgens haar niet, het evidence-based kiezen van behandelstrategieën voor een specifieke cliënt wel.
De kloof overbruggen
In haar oratie geeft Bexkens twaalf tips om de kloof tussen wetenschap en praktijk te overbruggen. Haar belangrijkste advies? ‘Wees als wetenschapper bescheiden. Je hebt goed onderzoek gedaan, maar overschat de impact ervan niet. Vertel therapeuten niet wat ze moeten doen, maar geef ze de mogelijkheid om nieuwe kennis toe te passen.’ Hoe wetenschappelijke kennis wordt gebruikt, is volgens haar een verantwoordelijkheid van de psychologen in de praktijk.
Daarnaast doen wetenschappers er goed aan om zich te laten inspireren door de praktijk, en samen met therapeuten, jongeren en ouders te bepalen waar onderzoek naar moet worden gedaan. ‘Als je pretendeert dat jouw onderzoek de zorg gaat verbeteren, moet je ook vragen wat therapeuten en cliënten belangrijk vinden. Wat hebben zij nodig om de behandelingen van de toekomst vorm te geven? Dan krijg je het beste onderzoek én de beste zorg.’
En de psychologen in de praktijk? Die moeten volgens Bexkens hun centrale rol weer pakken binnen EBP. ‘Zij zijn degenen die professioneel verantwoordelijk zijn voor het bieden van goede zorg. Zij evalueren wetenschappelijke kennis en integreren deze met hun klinische expertise en clientperspectieven. Daarbij hoort ook wetenschappelijk denken, doorgronden wat implicaties zijn van wetenschappelijke onderzoek voor specifieke cliënten en de theorie goed kennen. Dat zijn hoge eisen om aan clinici te stellen, maar dat is noodzakelijk voor goede zorg.’