Universiteit Leiden

nl en
Medewerkerswebsite Luris

‘Internationale organisaties kunnen niet zonder vertrouwen van lidstaten’

Terwijl het vertrouwen in multilaterale samenwerking onder druk staat, blijft de behoefte aan gezamenlijke oplossingen groot. Hoogleraar Fernando Bordin onderzoekt wat het internationaal recht daarin kan betekenen.

‘Internationaal recht laat heel duidelijk zien dat recht uiteindelijk gebaseerd is op betrokkenheid bij het idee én de praktijk van het recht’, zegt Bordin. Anders dan in nationale rechtsstelsels is er op internationaal niveau geen centrale overheid die staten voortdurend tot naleving kan dwingen. Staten moeten zich in belangrijke mate zelf aan de regels committeren.

Portret Fernando Bordin
Prof.dr. Fernando Bordin

Juist internationale organisaties zijn volgens Bordin een manier geweest om internationale samenwerking verder te institutionaliseren. Staten richten organisaties op met eigen organen, bevoegdheden en procedures. Dat maakt samenwerking op terreinen als mensenrechten, milieu en vrede en veiligheid ambitieuzer dan wanneer landen uitsluitend via klassieke diplomatie zouden handelen.

Maar het systeem werkt alleen als de partijen erin blijven geloven. Dat vertrouwen staat onder druk. De Verenigde Naties kampen met financiële problemen, de Wereldhandelsorganisatie heeft sterk aan invloed ingeboet en het Internationaal Strafhof kampt met verzet tegen uitspraken. ‘Als belangrijke staten niet langer geloven in internationaal recht en internationale instellingen, wordt de toekomst erg onzeker’, zegt Bordin. Hij beschrijft de huidige situatie daarom als een mogelijk kantelpunt. Hoe de internationale orde eruit komt te zien, weet niemand. Juist daarom richt hij zich in zijn onderzoek op de juridische vragen die zich kunnen aandienen.

Een eeuwige touwtrekkerij

Een terugkerend thema in Bordins onderzoek is de verhouding tussen internationale organisaties en de staten die ze hebben opgericht. Staten willen dat een organisatie effectief en ambitieus is, maar kunnen zich tegelijk verzetten wanneer die organisatie volgens hen te veel macht naar zich toetrekt. ‘Het is een kwestie van een beetje geven en een beetje nemen’, zegt Bordin.

Die spanning tussen autonomie en controle is volgens hem geen tijdelijk gegeven, maar een structureel onderdeel van het recht van internationale organisaties. Lidstaten moeten de organisatie ruimte geven om haar taak uit te voeren. Tegelijk moeten organisaties zichzelf aan de regels houden en binnen hun bevoegdheden blijven. De Europese Unie en Wereldgezondheidsorganisatie laten volgens Bordin goed zien hoe ingewikkeld dat evenwicht in de praktijk kan zijn.

Dat betekent ook dat hervorming nodig kan zijn. Volgens Bordin hoeven hervormingen niet meteen de perfecte oplossing op te leveren. ‘Geleidelijke verandering is beter dan helemaal geen verandering.’ Een crisis kan juist een geschikt moment zijn om alvast na te denken over wat er anders moet. Als de omstandigheden later veranderen en de politieke wil terug is, kan er sneller worden gehandeld.

Van de VN naar regionale samenwerking?

Bordin sluit niet uit dat de Verenigde Naties in de toekomst minder centraal komen te staan. In dat scenario kunnen regionale organisaties een grotere rol krijgen, zoals de Europese Unie, de Afrikaanse Unie, ASEAN of organisaties in Latijns-Amerika. Dat betekent niet per se minder samenwerking, maar mogelijk wel een andere internationale ordening.

Voor juristen levert zo’n verschuiving nieuwe vragen op. Wat gebeurt er wanneer een regionale organisatie afspraken maakt met een land dat geen lid is? Welke rechten en plichten heeft zo’n organisatie tegenover niet-leden? En wie is verantwoordelijk wanneer een organisatie handelt in strijd met internationaal recht? In zijn oratie werkt Bordin vier kenmerken uit die daarbij van belang zijn: de internationale rechtspersoonlijkheid van organisaties, hun rechten en plichten, de juridische scheiding tussen organisaties en lidstaten en de interne rechtsorde.

Dat onderzoek sluit aan bij wat Bordin de komende jaren in Leiden wil doen: beter begrijpen wat internationale organisaties juridisch gezien zijn en hoe zij zich verhouden tot het internationaal publiekrecht. Daarbij wil hij nadrukkelijk openstaan voor nieuwe vraagstukken die de wereld de komende jaren aandraagt.

Bordin als docent voor een cursus van de VN in het Vredespaleis

Een perspectief uit het ‘mondiale Zuiden’

Bordin brengt daarbij ook zijn eigen achtergrond mee. Hij is geboren, getogen en opgeleid in Brazilië. Later studeerde en werkte hij aan instellingen in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, waaronder Cambridge University, waar hij ook nu nog universitair hoofddocent is. Die verschillende perspectieven beïnvloeden volgens hem hoe hij naar internationaal recht en internationale organisaties kijkt. ‘Dit werkveld moet niet uitsluitend het domein zijn van de gevestigde hoogleraren uit het mondiale Noorden.’

Met zijn brede blik wil Bordin een bijdrage leveren aan wetten die klaar zijn voor wat er op hen afkomt. Juist in een periode van onzekerheid wil hij daarom onderzoeken wat er nodig is om internationale samenwerking te bevorderen én het internationaal recht te beschermen.

Oraties van hoogleraren van de Universiteit Leiden zijn live online te volgen. Maandag 14 september − van 16.00 tot 17.00 uur − houdt Fernando Bordin zijn oratie getiteld The Public International Law of International Organizations.

Hoogleraar Bordin bekleedt  als opvolger van prof.dr. Niels Blokker  sinds maart 2025 de leerstoel Internationaal Institutioneel Recht, mogelijk gemaakt door het Prof.mr. H.G. Schermers Fonds. Dit fonds op naam bij het Leids Universiteits Fonds is in 2002 ingesteld door de heer en mevrouw Schermers. Prof.mr. H.G. Schermers was hoogleraar Recht der Internationale Organisaties aan de Universiteit Leiden van 1978 tot aan zijn pensionering in 1993.

Deze website maakt gebruik van cookies.  Meer informatie.