Prinsjesdag: wie betaalt de rekening?
Uit de Miljoenennota blijkt dat vooral huishoudens de rekening voor 2027 gaan voelen: de koopkracht daalt licht en hogere inkomens gaan zo'n €750 miljoen extra betalen. ‘Planbureaus waarschuwen voor een mogelijke stapeling van negatieve inkomenseffecten die lage inkomens hard raken.’
Middeninkomens moet het kabinet naar eigen zeggen zoveel mogelijk ontzien, en kwetsbare groepen worden gecompenseerd. Toch waarschuwen de planbureaus voor een stapeling van effecten. En over box 3 bestaat nog altijd geen duidelijkheid: het nieuwe stelsel op basis van werkelijk rendement is pas voorzien per 1 januari 2028.
Herverdeling, of een optelsom van compromissen?
Is deze begroting een bewuste keuze voor herverdeling, of vooral een optelsom van politieke compromissen? Volgens Universitair docent Heike Vethaak zit de begroting er ergens tussenin. ‘Als gevolg van de Miljoenennota is er wel sprake van herverdeling, al wordt niet expliciet gesteld dat herverdeling een doel van het beleid is,’ zegt hij. ‘Ik ga ervan uit dat bij de afzonderlijke keuzes en de gezamenlijke effecten daarvan op de inkomensverdeling de verdelingseffecten zijn meegewogen, om te voorkomen dat bepaalde groepen er te veel op achteruitgaan.’
Toch is dat evenwicht kwetsbaarder dan het lijkt. Vethaak wijst op de verhoging van het eigen risico vanaf 2028 en afschaffing van de aftrek voor specifieke zorgkosten. ‘Huishoudens met een laag inkomen worden relatief harder geraakt door een hoger eigen risico, door vaak hogere zorgkosten,’ legt hij uit. ‘Daar staat tegenover dat de nominale zorgpremie voor iedereen zal dalen doordat de collectieve zorguitgaven lager uitvallen. Lage inkomens profiteren daar minder van, omdat zij door de lagere premie ook minder zorgtoeslag zullen ontvangen.’
Extra middelen voor laagste inkomens
Het kabinet probeert dat effect deels te verzachten via gemeenten. ‘Opvallend is ook dat het kabinet extra middelen beschikbaar stelt aan gemeenten om de effecten van het kabinetsbeleid op de laagste inkomens te verzachten,’ zegt Vethaak. Het gaat om €100 miljoen via het gemeentefonds voor de aanpak van armoede en problematische schulden, en €400 miljoen voor een tegemoetkoming aan chronisch zieken.
Maar of dat voldoende en de beste manier is, blijft de vraag: ‘Gemeenten hebben de vrijheid zelf te bepalen hoe zij dit inzetten. En er bestaan nu al grote verschillen hierin tussen gemeenten. De planbureaus vragen bovendien of de extra middelen wel voldoende zijn voor mensen met meerdere problemen.’
Het toptarief: symbolisch, of substantieel?
Een van de meest concrete maatregelen is dat de belastingschijven maar beperkt worden geïndexeerd, waardoor ook hogere inkomens meer gaan betalen. ‘De maatregel waarbij de belastingschijven beperkt worden geïndexeerd, leidt inderdaad tot hogere lasten, ook voor hogere inkomens,’ bevestigt Vethaak. ‘De planbureaus noemen dit expliciet als een van de belangrijke maatregelen met een negatief effect op de koopkracht. Tegelijkertijd is het effect van deze maatregel waarschijnlijk beperkt in verhouding tot de ontwikkeling van inkomensverschillen tussen huishoudens in de afgelopen jaren, met name aan de top.’
Volgens Vethaak bevindt een heet hangijzer zich dan ook ergens anders: bij vermogen, niet bij inkomen. ‘Een belangrijker punt is wellicht dat de lasten op kapitaal niet worden verhoogd,’ zegt hij. ‘Aan de herziening van box 3 wordt gewerkt, maar hierover is in de Miljoenennota nog geen besluit genomen. Juist keuzes over de belasting van vermogen kunnen op langere termijn nog grote consequenties hebben voor de verdeling van inkomen en vermogen.’