Universiteit Leiden

nl en
Medewerkerswebsite World Archaeology

Import in de steentijd? Hoe objectbiografieën het neolithicum in een ander licht zetten.

Op 22 april verdedigde Lasse van den Dikkenberg zijn proefschrift: Living with Flint. Hij onderzocht hiervoor vuursteenvondsten uit de Rijn-Maasdelta. Deze vondsten horen bij de Vlaardingencultuur die hier van 3400-2500 v. Chr. Voorkwam. Hieruit bleek dat Import een grotere rol speelde in het Neolithicum dan gedacht. Ook vond hij sporen van hoorn- en huidbewerking, iets waarvan tot nu toe nog geen directe bewijzen waren.

Laten we bij het begin beginnen, waarover gaat je proefschrift?

‘Het gaat over objectbiografieën van de Vlaardingencultuur, dus ik kijk naar hoe objecten zijn gebruikt en waar ze vandaan komen, en ik probeer dit soort thema’s dan aan elkaar te koppelen. Bijvoorbeeld als mensen vuursteen van verweg halen, hoe hebben ze dat dan gebruikt? De Vlaardingencultuur is in west Nederland, dus de delta regio, wetland archeologie. Ik kijk ook naar ambachtsspecialisaties, dat is een thema wat ik heb onderzocht, door middel van gebruikssporenonderzoek. Bijvoorbeeld, specialistische huidbewerking op bepaalde vindplaatsen. Het is ook onderdeel van een groter project, het ‘Putting life in late Neolithic houses’ project. Daar zitten ook veel experimenten bij, bijvoorbeeld bij Masamuda met vrijwilligers in het openluchtmuseum in Vlaardingen.’

Lasse tijdens een vuursteen experiment (in het midden met grijze pet)

Hoe gaat zo’n onderzoek in zijn werk? Je kijkt door een microscoop?

‘We hebben 4 vindplaatsen geselecteerd, en die heel erg in detail bekeken. Voor de biografieën begin ik met waar komt het vuursteen vandaan? We hebben een referentiecollectie met vuurstenen uit, zo’n beetje heel Europa. En de eerste stap is vergelijken met die collectie.

Daarna kijk ik naar hoe dingen zijn gemaakt. In deze periode is dat eigenlijk vrij simpel, wat we ad hoc technologie noemen. Vooral op afslagen gebaseerd, dus technologisch is het niet heel spannend behalve dan dat ze dingen die vrij moeilijk te maken zijn kant en klaar importeerden.

En dan kijk ik naar gebruikssporen, dat is inderdaad microscopisch vergelijken met experimenten en nieuwe experimenten doen omdat er dingen ontbraken in de referentiecollectie. Bijvoorbeeld hoornbewerking, daar heb ik ook experimenten mee gedaan want ik kon in de literatuur eigenlijk niet vinden hoe je dat soort sporen kunt herkennen. Daardoor heb ik dat uiteindelijk archeologisch ook terug kunnen vinden en dat is best interessant want hoorn blijft normaal niet bewaard. We hebben verder eigenlijk geen aanwijzingen van het gebruik van hoorn in het neolithicum in Nederland maar door de gebruikssporen konden we nu aantonen dat hoorn bewerkt werd.’  

Zo heb ik daar eigenlijk nooit over nagedacht, we gaan er vaak gewoon vanuit dat ze hoorn gebruikten. Zijn er nog andere materialen die zo naar voren zijn gekomen?

‘Ja, dat vond ik het leuke aan dat specialisatie-aspect. Voor een van die vindplaatsen kon ik aantonen dat ze daar echt extreem veel aan huidbewerking hebben gedaan. Dat ze echt een overproductie aan huiden hebben gedraaid en je hebt het dan over een materiaalcategorie die we gewoon nog nooit hebben gevonden. Zonder gebruikssporen had je daar nooit iets over kunnen zeggen en nu kun je het zelfs hebben over zoiets als ambachtsspecialisatie. En dat laat toch de toegevoegde waarde van gebruikssporenonderzoek zien. Dat je ook iets kunt zeggen over dit soort dynamieken achter materialen die er nu niet meer zijn.

Je kan op deze manier best veel materialen weer een plek geven in het verhaal en dat vind ik wel fascinerend. Dat was ook wel belangrijk voor dit verhaal, je ziet veel verschillen tussen de viervindplaatsen en hoe het materiaal is bewaard. En dan krijg je toch kans op een bias want ja zijn die vindplaatsen nou zo anders of zien we de overeenkomsten gewoon niet omdat het materiaal verloren is gegaan? Met gebruikssporen kun je toch dit soort verschillen aantonen. Op de duinen blijken ze minder botbewerking te doen maar op basis van de hoeveelheid bot die bewaard is gebleven kun je dat niet echt zeggen.’

Wat maakt de resultaten nu interessant?

‘Wat ik er interessant aan vond is, dat die mensen eigenlijk heel erg verbonden blijken te zijn met andere gemeenschappen, vooral in België en in Limburg, en op veel grotere schaal dan verwacht. Het blijkt dat ze vaak ook kant en klare objecten importeren en in die periode stoppen met het zelf maken van bijlen in die delta. En dat is eigenlijk het eerste voorbeeld dat ik ken dat mensen voor een dagelijks gebruiksvoorwerp volledig afhankelijk worden van import. Dat is natuurlijk erg interessant: als je kijkt naar de moderne wereld zijn we voor bijna alles afhankelijk van import voor wat je dagelijks gebruikt. Dat geeft een heel ander beeld van de tijd dan we dachten.’

Op 22 april verdedigde je je proefschrift, wat ga je hierna doen?

‘Een postdocpositie aan de Universiteit van Luik in België. Ik ga daar verder met gebruikssporenonderzoek maar ik ga dan meer de methode induiken.’

Hoe heb je de phd ervaren?

‘Ik heb het echt heel leuk gehad bij de phd, ik zat echt helemaal op mijn plek in het project. De vrijheid die je krijgt om de diepte in te duiken, dat is een bijzondere ervaring ik vind dat echt een aanrader.’

Deze website maakt gebruik van cookies.  Meer informatie.