Van drempel tot dashboard: zo zet wijkagent technologie in
Een praatje op straat, een melding op de telefoon, informatie in een database: het werk van wijkagenten wordt steeds digitaler. Jasper De Paepe keek voor zijn promotieonderzoek hoe zij daarmee omgaan. Persoonlijk contact blijkt daarbij nog altijd belangrijk.
Je proefschrift heet From doorstep to dashboard. Verdwijnt de wijkagent achter de computer?
‘Traditioneel was een wijkagent vooral in de buurt te vinden: in buurtcentra, op straat of bij mensen thuis voor een kop koffie. In de wetenschappelijke literatuur en het politieke debat bestaat het beeld dat politiewerk steeds digitaler wordt. Wijkagenten zouden daardoor meer achter een scherm zitten om informatie in te voeren en verder van bewoners af komen te staan.’
Mijn onderzoek laat zien dat dit niet altijd zo is. Wijkagenten maken zelf keuzes en mógen die ook maken: hoe helpt technologie mij en in hoeverre wil ik die gebruiken? Die afwegingen staan centraal.’
Hoe ziet een gewone werkdag eruit? Wanneer komt technologie in beeld?
‘Meestal begint de dag achter de computer, met e-mails en taken. Vaak volgt een ochtendbriefing over de vorige dienst en wat collega’s moeten weten. In de politiedatabase zoeken wijkagenten terug wat er in hun buurt speelt. Ze worden geacht zelf informatie toe te voegen.
Op straat kunnen ze via hun telefoon gegevens opzoeken en verwerken. Daarvoor hoeven ze dus niet telkens terug naar kantoor. Via sociale media onderhouden ze contact met bewoners. Mijn onderzoek gaat vooral over zulke alledaagse informatie- en communicatietechnologie.’
Gebruiken wijkagenten die middelen allemaal op dezelfde manier?
‘Nee. Hun werk draait steeds om informatie verzamelen en contact onderhouden, maar de manier waarop verschilt. Sommige wijkagenten kennen hun buurt ontzettend goed en bewaren veel informatie in hun hoofd of een notitieboekje. Andere wijkagenten besteden veel tijd aan digitale systemen en sociale media. Wijkagenten hebben veel autonomie. Hun keuzes hangen samen met hun beeld van een goede wijkagent en wat hun buurt nodig heeft. Dat blijft hun eigen inschatting, die niet noodzakelijk aansluit bij de werkelijke behoeften. Met beperkte tijd en middelen moeten ze keuzes maken.’
Waarom leggen sommige wijkagenten niet alle informatie vast in de politiedatabase?
‘Dat wordt soms uitgelegd als luiheid, maar ik zag juist betrokken wijkagenten die bewust terughoudend waren. Ze vrezen dat collega’s informatie zonder de oorspronkelijke context verkeerd begrijpen.
Een wijkagent had bijvoorbeeld zelf een digitaal systeem ontwikkeld. Hij voerde informatie in de politiedatabase in, maar bewaarde bepaalde gegevens apart in Excel of Word. Denk aan een opmerking van een bewoner dat er steeds verschillende dure sportauto’s bij de overburen staan. Zo wilde hij voorkomen dat anderen zulke informatie verkeerd interpreteerden of gebruikten. Hij had meegemaakt dat informatie van een buurtbewoner bij een deradicaliseringscampagne tegen diezelfde bewoner werd gebruikt. Dat veroorzaakte een grote vertrouwensbreuk tussen de bewoner en de wijkagent, en schaadde ook het vertrouwen van de bredere wijk. Zulke ervaringen wegen mee wanneer wijkagenten beslissen welke informatie ze wel en niet in het systeem zetten.’
Hoe was het om zelf met wijkagenten mee te lopen?
‘Vooral de huisbezoeken bleven me bij. We bezochten iemand die geluidsoverlast had gemeld, maar ons vooral wilde overtuigen van zijn geloof. We spraken over zijn geloof en hoe hij zich voelde. Gaandeweg vertelde hij meer over zijn buurt. Mensen vertellen een wijkagent vaak veel meer dan waarvoor die oorspronkelijk langskomt.
Vooral de huisbezoeken bleven me bij
Tijdens het meelopen ben ik het wijkwerk echt gaan waarderen. Aanvankelijk leek meegaan met de noodhulp me spannender. Maar wijkagenten voeren betekenisvolle gesprekken en zien mensen en buurten veranderen. Het duurt soms langer voordat ze het effect zien, maar hun invloed is groot.’
Zag je grote verschillen tussen België en Nederland?
‘Mijn onderzoek was een gezamenlijk traject van de universiteiten van Gent en Leiden. Ik wilde aanvankelijk onderzoeken welke invloed de landelijke, sociale en culturele context had. Tijdens het meelopen vielen vooral de overeenkomsten op: werkzaamheden, verwachtingen en digitale toepassingen waren vergelijkbaar.
Een verschil zijn de Belgische woonstvaststellingen: na een verhuizing controleert een wijkagent of iemand op het opgegeven adres woont. Een administratieve taak, maar ook een gelegenheid om kennis te maken, vergelijkbaar met contact op straat of in een buurtcentrum in Nederland.
Verder experimenteert de Nederlandse politie vaker met nieuwe toepassingen. Belgische korpsen kijken wat ze kunnen overnemen.’
Wat zouden politieleiding en beleidsmakers met jouw onderzoek moeten doen?
‘Geef wijkagenten ruimte om ervaringen uit te wisselen, ook buiten hun team. Autonomie blijft belangrijk, maar nu hangt veel af van de individuele agent. Bespreek regelmatig: hoe pak jij dit aan, wat werkt en wat kunnen we van elkaar leren?
Het kan jaren duren voordat een wijkagent de buurt goed kent. Als die kennis bij één persoon blijft, kan die bij vertrek verdwijnen. Zorg daarom voor een warme overdracht: laat een opvolger een tijdje met de vertrekkende wijkagent door de buurt lopen. Zo krijgt informatie in het systeem meer betekenis.
Technologie kan helpen om kennis te delen, maar er moet ruimte blijven voor persoonlijk contact en het professionele oordeel van wijkagenten.’