Een nieuw licht op middeleeuwse aardewerkchronologie in Zuid-Limburg
Op 1 juli verdedigt Maurice Janssen zijn proefschrift over de productie van aardewerk in Zuid-Limburg tijdens de Middeleeuwen. Voor zijn onderzoek bestudeerde hij oude publicaties van onderzoeken en opgravingsrapporten om te zien hoe het aardewerk en de vindplaatsen toendertijd vastgelegd en geïnterpreteerd zijn.
De fundering
In de jaren ‘50 en ‘60 zijn er in Zuid-Limburg een aantal middeleeuwse pottenbakkerijen opgegraven. De publicaties over deze productielocaties en de scherven die daar zijn gevonden vormen een raamwerk voor de datering van middeleeuws aardewerk in Zuidoost Nederland die tot op vandaag de dag gebruikt wordt. Maar kloppen die aannames nog steeds? Of kan er met gebruik van hedendaagse kennis en technieken een nieuw licht geworpen worden op de productie en het gebruik van aardewerk in Zuidoost Nederland tijdens de middeleeuwen?
Een gebrek aan aardewerk
Er zit een hiaat van 150 tot 175 jaar in de aardewerkchronologie die gehanteerd wordt, vertelt Maurice. ‘Bij dateringen van Middeleeuws aardewerk en de context ervan, is deze aardewerkchronologie vaak bepalend. ''Van oh, we weten precies hoe oud deze site is, want we kunnen het dateren op basis van het aardewerk.’' Maar er is een leegte tussen 900/1075 waarin niks gevonden wordt. Terwijl er geschreven bronnen zijn uit die periode waarin bijvoorbeeld staat '‘we hebben een nieuwe kerk gebouwd in deze stad'’, of iets dergelijks maar er was dan blijkbaar niemand in die tijd die aardewerk gebruikte?’
Het proces
Om de robuustheid van dit raamwerk te onderzoeken heeft Maurice gekeken naar een cluster van vindplaatsen in de regio Aken met een specifiek type aardewerk. Het gaat dan vooral om locaties in Zuid-Limburg maar ook aan de Duitse kant van de grens. Hiervoor heeft hij de opgravingsdocumentatie en opslagmethodes in het depot onderzocht om te zien welke informatie je hier nog uit kunt halen.
‘In eerste instantie heb ik gekeken naar de interne chronologie van de productielocaties aan de hand van 25 kenmerken. Ik heb veel productie-afval bekeken en dan vind je steeds dezelfde opeenvolging van kenmerken die je eigenlijk in heel noordwest Europa ziet, of je nu in Noord-Frankrijk zit, aan de Maas in België, in het Rijnland of verder naar het oosten. Die pottenbakkers doen allemaal hetzelfde: ze maken hetzelfde gele aardewerk met rode beschildering, dezelfde decoratie etc.’
Toeval?
Dat patroon blijkt ook identiek aan dat van Zuid-Limburgse productielocaties, ontdekt Maurice. ‘Om even terug te gaan, archeologen in de jaren ’50 en ’60 hebben steeds geschreven, en zo heeft Iedereen het aangenomen: die Zuid-Limburgse productielocaties, dat is een hele late vorm van Pingsdorf type aardewerk. Maar hoe groot is nou de kans, als je kopieën aan het maken bent van iets dat je dat toevallig in dezelfde volgorde doet, maar dan twee eeuwen later dan de rest? Als je dat statistisch gaat onderzoeken blijkt die kans dus ongelooflijk klein te zijn.’
Een nieuw raamwerk
Om een soort van houvast te geven in nederzettingsonderzoek heeft Maurice een beschrijving opgesteld van de baksels en samenstellingen van de klei aan de hand van resultaten die hij in Bonn met de pXRF kreeg. Dit is een techniek die de commerciële archeologie ook kan toepassen zonder dat de kosten gelijk de pan uitrijzen. ‘Hiermee is een basisdataset aangelegd met materiaal uit een aantal verschillende productielocaties in de regio. We hebben dus gekeken of je die van elkaar kunt onderscheiden. Dat is niet zo, maar je kunt bijvoorbeeld wel afgrenzen naar bijvoorbeeld Wildenrath wat zo’n 25 km verderop ligt.’
Verrassend
‘Wat heeft je verrast tijdens je onderzoek?’ ‘Ja, iets dat me misschien niet had moeten verrassen, maar dat toch deed. Ik heb de aardewerksequentie van één specifieke plek binnen de opgraving van het klooster van Susteren bekeken. Er zijn andere mensen die hier ooit aan gewerkt hebben, die hebben echt fantastisch werk gedaan. Zij hebben met een heel specifieke bril naar dat materiaal gekeken vanuit Dorestad. Dus gekeken vanuit een langeafstandshandel-perspectief bekend uit de achtste en negende eeuw.
‘Iemand anders heeft naar dat materiaal gekeken met een typische laatmiddeleeuwse bril van: Het zijn handelaren, en die handelsstroom volgt de kortste, meest efficiënte route, want anders wordt het te duur. De verrassing was dus dat deze invalshoek echt volledig de verkeerde manier is om te kijken naar zo'n vroegmiddeleeuws klooster. Het jammere is dat ik geen kans had om hier nog chemisch onderzoek naar te doen, want dat had ik al afgerond. Ik verwacht dat sommig materiaal uit bijvoorbeeld Noord-Frankrijk en de regio aan de Main afkomstig is. Er zijn technieken en materialen bij die niet in onze regio voorkomen maar heel specifiek bij andere regio’s horen zoals mica’s in de magering of polijsten voor het beschilderen.’
‘Ik vind het vet om te zien dat die uitwisselingsnetwerken op dat moment blijkbaar geen rekening houden met de meest efficiënte route, terwijl je nagenoeg identiek materiaal uit een productielocatie van nog geen vijf, tien kilometer verderop had kunnen hebben.’ ‘Het zou heel tof zijn om in de toekomst mijn vermoedens hieromtrent te kunnen testen.’
Proefschrift verdedigingen van onderzoekers van de Universiteit Leiden kunnen live online gevolgd worden. Maurice Janssen zal zijn proefschrift over Middeleeuwse aardewerkproductie in Zuid-Limburg verdedigen op woensdag 1 juli, van 10:00 tot 11:00.