Universiteit Leiden

nl en

Richtlijn promotietrajecten

De universiteit hanteert naast het promotiereglement de Richtlijn Promotietrajecten die de minimale eisen voor de begeleiding, opleiding en faciliteiten voor promovendi vastlegt.

De richtlijn is van toepassing op alle promovendi van de Universiteit Leiden. Een deel is niet voor buitenpromovendi van toepassing. Eventuele uitzonderingen worden per artikel vermeld.

De verschillende promovendi-typen vind je terug in de richtlijn.

Richtlijn

1.    Alle promovendi worden bij aanvang geregistreerd in het HRM medewerkersregistratie¬systeem van de Universiteit of dat van het LUMC en in het promovendivolgsysteem Converis van de Graduate School. Voor buitenpromovendi geldt dat zij zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen één jaar na het eerste contact met de beoogd promotor, worden ingeschreven in het HRM medewerkersregistratiesysteem van de Universiteit of dat van het LUMC en in het promovendivolgsysteem Converis. (Zie Hoofdstuk 2 van het promotiereglement voor toelichting over aanvang van het promotietraject).

2.    Alle promovendi hebben recht op een LU-Card die hen toegang geeft tot de bibliotheek. Met uitzondering van de buitenpromovendi kunnen alle promovendi zonder kosten gebruik maken van kopieer- en printfaciliteiten, binnen de regels die in de faculteiten gelden voor het wetenschappelijk personeel.
 
3.    Met uitzondering van buitenpromovendi hebben alle promovendi recht op een werkplek in de faculteit.
 
4.    Met uitzondering van buitenpromovendi worden alle promovendi in de gelegenheid gesteld om, binnen redelijke grenzen, tijdens hun dienstverband tenminste tweemaal een wetenschappelijk congres te bezoeken. 
 
5.    De faculteit moet kandidaat-promovendi duidelijk informeren over de beschikbare faciliteiten (inclusief cursussen, onderzoekskosten, enz.) bij het toelaten tot de  Graduate School.
 
6.     Voor elke promovendus wordt aan het begin van het promotietraject een opleidings- en begeleidingsplan opgesteld. Voor werknemerpromovendi en voor beurs- en extern gefinancierde promovendi geldt hiervoor een termijn van drie maanden na de aanstellingsdatum en voor buitenpromovendi wordt een termijn van maximaal zes maanden na toelating tot de graduate school aangehouden. 
 
7.    Alle promovendi hebben naast de promotor minimaal één andere begeleider of co-promotor . In het opleidings- en begeleidingsplan wordt vastgelegd hoe de verantwoordelijkheden worden verdeeld tussen de verschillende begeleiders.  
 
8.    Jaarlijks vindt er met elke promovendus in dienst een resultaat- en ontwikkelingsgesprek plaats Elke promovendus heeft jaarlijks (buitenpromovendi tweejaarlijks) een monitoringsgesprek met één of twee onafhankelijke personeelsleden. De kwaliteit van de begeleiding is een belangrijk aspect van dit gesprek.
 
9.    In elk promotietraject wordt, na een in het opleidings- en begeleidingsplan vastgestelde periode, een go/no go-beslissing genomen, die schriftelijk wordt vastgelegd. Voor werknemerpromovendi en voor beurs- en extern gefinancierde promovendi geldt dat de go/no-go beslissing aan het einde van het eerste jaar wordt genomen. Voor buitenpromovendi geldt dat de beslissing op zijn vroegst na één jaar en ten laatste na twee jaar genomen moet worden. 

10.    Met uitzondering van de buitenpromovendi volgt elke promovendus verplicht een bij aanvang van het promotietraject vast te stellen opleidingsplan. Het plan beslaat het gehele promotietraject en bestaat uit minimaal:
140 uur aan wetenschappelijke trainingsactiviteiten (vakinhoudelijke trainingen, congresbezoek, e.d.)
140 uur aan trainingsactiviteiten op het gebied van transferable skills (zoals presenteren, academisch Engels, time management, loopbaanoriëntatie, ondernemerschap), waaronder tenminste één training op gebied van wetenschappelijke integriteit.

Voor buitenpromovendi geldt dat ten minste de cursus ‘wetenschappelijke integriteit’ verplicht gevolgd moet worden. Daarnaast geldt dat in overleg met de beoogd begeleider wordt vastgesteld welke behoeften de buitenpromovendus heeft ten aanzien van het volgen van cursussen die noodzakelijk zijn voor het goed kunnen uitvoeren van het promotieonderzoek.

11.    Stafleden die voor het eerst promovendi gaan begeleiden (als promotor of co-promotor of dagelijkse begeleider) zijn verplicht om een cursus op dit gebied te volgen.

12.    Alle instituten of faculteiten organiseren periodiek een bijeenkomst voor de eigen promovendi over de arbeidsmarktperspectieven. 

Deze website maakt gebruik van cookies.  Meer informatie.